WEETJES


Inheemse planten, ingeburgerde soorten en exoten, wat is het verschil?

                                   

In de tuin en natuur gebruiken we vaak verschillende termen voor planten, maar wat betekenen ze nu eigenlijk?

🌱 Inheemse planten
Dit zijn planten die hier van nature voorkomen, vaak al duizenden jaren.

Ze zijn perfect afgestemd op ons klimaat en vormen een belangrijke voedselbron voor insecten, vogels en andere dieren.

🌿 Ingeburgerde planten
Sommige soorten zijn ooit van elders meegebracht, maar leven inmiddels al honderden jaren in onze omgeving zonder grote problemen te veroorzaken. Ze worden “ingeburgerd” genoemd, ze horen er inmiddels een beetje bij.

🌍 Exoten
Dit zijn planten die door mensen (bewust of onbewust) van ver weg zijn meegenomen.

Niet alle exoten zijn schadelijk, maar ze passen vaak minder goed in ons ecosysteem.

⚠️ Invasieve exoten
Sommige exoten verspreiden zich razendsnel en verdringen inheemse soorten.

Denk aan de Japanse duizendknoop of reuzenberenklauw.

Deze soorten kunnen grote schade veroorzaken aan de natuur, biodiversiteit en soms ook aan gebouwen of de gezondheid.

Inmiddels zijn deze planten op een lijst gezet.

Deze soorten mogen niet meer gekweekt en verhandeld worden.

Uiteraard komen deze soorten ook niet voor in ons assortiment.

Bij het NVWA kun je alle soorten (ook dieren) vinden die op deze lijst voorkomen.


Luizen, wat kun je er aan doen?

Heb je opeens plakkerige blaadjes of zie je kleine groene, zwarte of witte beestjes op je planten?

Grote kans dat je met bladluizen te maken hebt.

Ze zijn dol op jong, sappig blad – maar gelukkig zijn er genoeg vriendelijke manieren om ze weer weg te krijgen.

Geen gif nodig, alleen een beetje natuur én slimme trucjes!

 

1. Douche je planten
Geef je planten een frisse start met een flinke straal water.

Spoel de luizen van de bladeren (ook de onderkant!) af met de tuinslang of een plantenspuit. Herhaal dit regelmatig en je zult zien: ze geven het vanzelf op.

 

2. Planten met superkrachten
🌿 Zet goudsbloemen, lavendel of afrikaantjes tussen je planten.

Luizen houden daar niet van en blijven liever weg.
🌿 Of plant juist dille, venkel of koriander: die trekken natuurlijke vijanden aan zoals zweefvliegen en sluipwespen.

 

3. De goede helpers
Nodig de lieveheersbeestjes uit!

Er zijn zelfs larven te koop.

Ze zijn gek op luizen – een larve eet er wel honderden op.

Ook oorwormen en gaasvliegen zijn geweldige helpers.

Je kunt zelfs speciale ‘insectenhuisjes’ ophangen om ze een fijn plekje te geven.

 

4. Natuurlijke sprays
Maak zelf een milde zeepoplossing (bijv. een theelepel zachte groene zeep + een drupje plantaardige olie op een liter water) en spuit dit op de aangetaste delen van de plant.

Test het eerst op een klein stukje blad en gebruik het niet in de volle zon.

 

5. Gezonde planten zijn sterker
Luizen vallen vooral verzwakte planten aan.

Geef je planten dus een goede start met gezonde grond, voldoende water en een beetje compost of organische voeding.

 

Zo houd je je tuin levendig én in balans – zonder chemische middelen.

Goed voor je planten, de bijen én het milieu!


Slakken in je tuin

Slakken bestrijden zonder gif – zo doe je dat op een natuurlijke manier! 🐌🌿

De tuin is in volle bloei, maar helaas ben je niet de enige die geniet van al dat groen. Slakken – vooral na een regenbui – komen massaal tevoorschijn en kunnen in korte tijd een moestuin of bloembed flink kaalvreten. Gelukkig zijn er genoeg diervriendelijke én milieuvriendelijke manieren om ze te weren, zonder naar chemische middelen te grijpen. Hier zijn een paar slimme tips om je tuin slakvrij te houden!

1. Maak je tuin slakonvriendelijk
Slakken houden van vochtige, schaduwrijke plekjes. Door ‘rommelhoekjes’ op te ruimen, zoals stapels bladeren of planken, neem je hun schuilplaatsen weg. Mulch niet te dik rond kwetsbare planten – dat kan juist een fijn huisje voor ze worden.

2. Geef water in de ochtend
’s Avonds sproeien zorgt voor een vochtige tuin tijdens de slakkenpiekuren. Door ’s ochtends water te geven, droogt de grond op tegen de avond en dat maakt het minder aantrekkelijk voor deze slijmerige bezoekers.

3. Natuurlijke vijanden uitnodigen
Egels, vogels, padden en zelfs kippen zijn dol op slakken. Maak je tuin aantrekkelijk voor deze helpers met wat struiken, een egelhuisje of een klein vijvertje. Zo werk je samen met de natuur.

4. Barrières
Slakken hebben een hekel aan koper. Door bijvoorbeeld kopertape rond potten of verhoogde bedden te plakken, krijgen ze een onaangename schok bij contact en blijven ze liever weg.

Ook hebben ze een hekel aan een scherpe ondergrond zoals kippengrit of schelpenzand.

5. Slakken lokken en verplaatsen
Je kunt slakken lokken met schoteltjes bier (ja, echt waar!) of een halve uitgeholde meloen. Controleer ze dagelijks en verplaats de slakken naar een plek waar ze geen schade aanrichten – bijvoorbeeld aan de rand van een bos of weiland.

6. Zet afschrikplanten in
Slakken mijden bepaalde planten, zoals lavendel, varens, salie en geraniums. Door deze tussen je gevoelige planten te zetten, creëer je als het ware een natuurlijke barrière.

Tot slot: een beetje verdraagzaamheid…
Een paar slakken in de tuin zijn geen ramp – ze maken deel uit van het ecosysteem. Het gaat vooral om het vinden van een balans, zodat je én van je tuin kunt genieten én de natuur een handje helpt.


EHBO voor zaailingen

Ook ik heb wel eens te maken met tè enthousiaste zaailingen die in een mum van tijd een lange, dunne slungel worden.

Wat nu...

  • zet een pot of potje klaar met potgrond en maak daarin alvast een kuitje.
  • probeer de zaailing met een theelepel uit het zaaibakje te tillen met zoveel mogelijk aarde rond het worteltje.
  • plaats de zaailing in het potje en zorg dat de stengel voor de helft/driekwart onder de grond komt.
  • Geef een beetje water als de potgrond te droog aanvoelt.
  • plaats het potje in een koele, lichte ruimte, niet meer op de vensterbank en niet in de volle zon.
  • ook kun je de zaailing buiten zetten, als de temperatuur het toe laat.
  • als het weer kouder wordt of er is teveel wind zet de zaailing dan even binnen, maar wel zo koel mogelijk.
  • succes!!

Voorzaaien: de voor- en de nadelen!

 

Voorzaaien... Hoe doe je dat nou en waarom?

Voorzaaien geeft de plant ( en jou ) een "voorsprong".

Veel planten, en zeker een-jarigen, kiemen pas bij een temperatuur van rond de 20 °C.

Zaai je deze rechtstreeks buiten ( of in een koude kas/serre ), dan moet je dus wachten op de juiste temperaturen voordat het zaad gaat kiemen.

Dat is dan normaal gesproken in mei.

Het zaadje moet dan ook nog eerst kiemen, groeien en dan volgt de bloei.

Als je voorzaait in maart of april, in een warme kas of op de vensterbank, dan zal het zaadje eerder gaan kiemen.

Het plantje heeft dan al een voorsprong en zal dus eerder gaan bloeien.

Eerder genieten dus!

Ook hebben vogels, muizen en de regen geen kans om de zaden op te eten/ weg te spoelen.

Zaai de planten voor in zaai- en stekgrond, dit is speciaal samengesteld om de zaailingen een goede start te geven.

Zaaien kun je in kleine potjes, sommige gebruiken eierdozen, of maken rolletjes van kranten.

Waar je wel op moet letten bij voorzaaien is dat je, zodra je de zaailing 2 blaadjes heeft, je deze koeler en licht moet zetten ( zeker niet in de volle zon ) anders krijg je van die lange sprieten.

Dit kan bv in een serre of een koude kas.

Zijn de zaailingen al sterker aan het worden en is het nog geen tijd om ze definitief uit te planten?

Zie je al wortels uit de onderkant van het potje komen?

Pot ze dan over in een grotere pot met potgrond.

Hier zit meer voeding in en zal het plantje goed doen!

Ook zul je het voorzaaisel moeten afharden.

Dit houdt in dat je de zaailingen een paar uurtjes per dag buiten moet zetten zodat ze alvast wennen aan de weers-omstandigheden.

Tijdens (nacht) vorst de zaailingen niet buiten laten staan!

( uiteraard zijn er planten die juist wel koude nodig hebben om te kiemen; lees daarom altijd eerst de zaai-instructies! )

Na ijsheiligen kun je de zaailingen dan definitief buiten uitplanten en kun je eerder genieten van de bloei!

Nadeel voorzaaien:

Het nadeel van voorzaaien is dat de zaailingen na opkomst inderdaad "kouder " maar wel licht gezet moeten worden.

Rechtstreeks van de vensterbank naar buiten is een te grote stap ineens.

Maar niet iedereen heeft een ruimte die licht is en een constante temperatuur van 15 - 18°C heeft.

In de koude kas is een prima optie maar de temperatuur zal daar s`nachts nog wel te koud zijn en cosmea`s zijn echt koude-gevoelig!

Ikzelf zaai meestal alleen de koudekiemers voor en de eenjarigen zaai ik bewust pas in april of mei.

Als je de zaailingen te lang warm laat staan worden het van die hoge, lange sprieten.

Veel zaai-en tuinplezier!


Zaden oogsten

 

Zaden oogsten is ontzettend leuk!

Je bent lekker buiten, de zaden zijn vrij van allerlei chemicaliën, je helpt de insecten en je zorgt voor meer groen!

Toch zitten er ook nadelen aan...

De natuur kan onvoorspelbaar zijn en er kunnen bepaalde soorten planten en bloemen met elkaar kruisen.

Zelfs over grotere afstanden kunnen bv bijen de nectar van de ene naar de andere bloem brengen waardoor de zaden toch een andere kleur voortbrengen dan de moederplant.

Ik probeer dit te voorkomen door zoveel mogelijk solitair te planten, dat wil zeggen dat ik zaden die makkelijk kruisen zo ver mogelijk uit elkaar probeer te zaaien, bv in tuinen bij vrienden.

Toch kan ik een kruising niet altijd voorkomen...

Bijna elke plant heeft de neiging, als ze de kans krijgt, om terug te gaan naar de oorspronkelijke vorm, kleur, geur, etc.

De klaproos is een mooi voorbeeld, zaai je een mengsel van verschillende kleuren waar ook rood in zit, dan zullen de zaden steeds vaker rode klaprozen geven.

Nog een voorbeeld is de Akelei, deze komt bijna altijd terug in een andere kleur dan de moederplant, ook al heb je er maar 1 van in je tuin staan.

Het kan dus voorkomen dat een bloem misschien niet altijd precies de kleuren heeft zoals op het plaatje.

Soms zijn de kleuren zelfs mooier dan je had verwacht!

Blijf genieten van het hele zaai proces en al het moois wat er uit voortkomt!


Wat zijn stinzenplanten nu eigenlijk?

Eeuwen geleden werden er op oude buitenplaatsen, boerderijen en ‘stinzen’ (landhuizen in Friesland) voorjaarsbloemen geplant.

De namen hyacint, sneeuwklokjes, narcis en krokus zullen je bekend voorkomen.

De planten die toendertijd werden geplant zijn verwilderd en door de jaren heen ingeburgerd.

Deze komen in Nederland dus spontaan op zonder toedoen van mensen, bv de wilde hyacint.

Stinzenplanten bloeien vroeg en staan graag in de schaduw, bv onder een grote boom.

In onze tuin hebben we een walnotenboom waaronder ik 3 jaar geleden ben begonnen met het planten van verschillende soorten.

Als de planten het naar hun zin hebben breiden ze zich vanzelf uit en krijg je naar verloop van tijd een prachtig tapijt!

Heb je dus nog een donker stukje over in je tuin?

Leef je uit met stinzenplanten!

Je kunt stinzenplanten opkweken uit zaad (niet allemaal) of bollen planten.

De bollen kun je het beste in het najaar planten.

Planten die je opkweekt uit zaad hebben wat langer de tijd nodig om bloemen te vormen maar het geeft wel meer voldoening en je bent lekker bezig!


Meeldauw? Zo pak je het natuurlijk aan!

Veel tuinliefhebbers kennen het wel: je planten staan er prachtig bij en ineens verschijnt er een wit, poederachtig laagje op het blad.

Dat is meeldauw.

Gelukkig kun je deze schimmel goed aanpakken zonder chemische bestrijdingsmiddelen.

 

Wat is meeldauw eigenlijk?
Meeldauw is een schimmel die vooral voorkomt bij warm, vochtig weer.

Je ziet vaak een wit waas op bladeren, stengels en soms bloemen.

Het is meestal niet direct dodelijk, maar kan je planten flink verzwakken.

 

Natuurlijke manieren om meeldauw te bestrijden:

 

🍃 1. Verwijder aangetaste delen
Knip de ergst besmette bladeren weg en gooi ze bij het restafval (niet op de composthoop!). Zo beperk je verdere verspreiding.

💧 2. Zorg voor voldoende luchtcirculatie
Zet planten wat ruimer uit elkaar en snoei eventueel wat blad weg. Hoe beter de lucht stroomt, hoe minder kans meeldauw krijgt.

🌞 3. Geef water bij de wortels
Probeer bladnat te voorkomen. Meeldauw houdt van een vochtig bladerdek. Water geven bij de basis helpt om schimmelgroei tegen te gaan.

✨ 4. Melk als huismiddeltje
Meng 1 deel melk met 9 delen water en besproei de bladeren eens per week. Melk bevat stoffen die schimmels remmen.

🌱 5. Maak een natriumbicarbonaat-spray
Meng 1 liter water met een theelepel baking soda en een drupje afwasmiddel. Dit verandert de pH op het bladoppervlak, waardoor meeldauw het lastig krijgt.

 

Tip: Blijf regelmatig controleren.

Hoe vroeger je ingrijpt, hoe makkelijker je het onder controle houdt.

Door op een natuurlijke manier meeldauw te bestrijden, houd je je tuin gezond en vriendelijk voor insecten en andere dieren.

En je planten?

Die zullen je dankbaar zijn! 🌼


Zaden bewaren, hoe doe je dat?

Zaden bewaren, hoe doe je dat?

En hoe lang zijn ze eigenlijk houdbaar?

Een zakje bloemzaden gekocht, maar niet alles gezaaid?

Geen probleem!

Veel zaden kun je prima bewaren voor een volgend zaaimoment of zelfs voor een volgend jaar.

Maar hoe lang blijven zaden eigenlijk goed?

En wat betekent een houdbaarheidsdatum op een zakje zaden precies?

Dat is iets minder eenvoudig dan het misschien lijkt.

Zaden bederven namelijk niet ineens zodra een bepaalde datum is verstreken.

Een zaadje leeft en zolang het kiemkrachtig blijft, kan er onder de juiste omstandigheden nog steeds een plantje uit groeien.

 

De kiemkracht neemt langzaam af

Vanaf het moment dat zaden rijp zijn, begint de kiemkracht uiteindelijk langzaam terug te lopen.

Hoe snel dat gebeurt, verschilt enorm per plantensoort.

Van sommige soorten blijven de zaden onder goede omstandigheden meerdere jaren uitstekend kiemkrachtig, terwijl andere soorten veel sneller achteruitgaan.

Daarom kun je niet voor alle bloemzaden dezelfde houdbaarheid aanhouden.

Ook binnen één partij zal niet ieder zaadje op hetzelfde moment zijn kiemkracht verliezen.

Stel dat van 100 verse zaden normaal gesproken 85 zaden ontkiemen, dan kan dat percentage na een aantal jaren bijvoorbeeld lager worden.

De zaden zijn dan niet per definitie allemaal ‘niet meer goed’, maar de kans dat ieder afzonderlijk zaadje nog ontkiemt wordt kleiner.

Ook maakt het een verschil of de zaden in een zakje worden verpakt of op natuurlijke wijze in de volle grond terecht komen.

De klaproos kan bijvoorbeeld zelfs na tientallen jaren een kiemrust te hebben gehad in de volle grond nog ontkiemen.

Vele schermbloemigen daarentegen raken snel hun kiemkracht kwijt, ongeacht of ze in een zakje of in de grond zitten.

 

En wat betekent onze houdbaarheidsdatum dan?

De houdbaarheidsdatum die wij voortaan bij onze zaden vermelden, is daarom geen uiterste datum waarna je de zaden niet meer kunt gebruiken.

Wij gaan uit van een realistische bewaartermijn waarbij je, bij een normale en zorgvuldige bewaring, tot die datum nog een goede kiemkracht mag verwachten.

Heb je een zakje gevonden waarvan de houdbaarheidsdatum inmiddels verstreken is?

Gooi de zaden vooral niet meteen weg!

De kans is groot dat een deel van de zaden nog gewoon kan ontkiemen.

Je kunt ze bijvoorbeeld wat dichter zaaien of eerst een kleine kiemproef doen.

 

Goed bewaren maakt écht verschil

Hoe lang zaden kiemkrachtig blijven, hangt niet alleen af van de soort en de leeftijd.

De manier waarop je ze bewaart is minstens zo belangrijk.

Zaden hebben vooral een hekel aan vocht, warmte en grote temperatuurschommelingen.

Een zakje dat jarenlang droog, donker en redelijk koel wordt bewaard, kan daarom veel langer goed blijven dan hetzelfde zaad dat iedere zomer in een warm tuinhuisje ligt.

Een droge kast in een koele ruimte in huis is voor veel mensen al een prima plek.

Bewaar je veel zaden, dan kun je de zakjes bijvoorbeeld samen in een goed afsluitbare bewaardoos doen.

Een garage, schuur, kas of tuinhuisje lijkt misschien handig, maar is niet altijd de beste keuze.

In de zomer kan het er behoorlijk warm worden en in de winter juist erg koud en vochtig.

Vooral de combinatie van vocht en wisselende temperaturen kan de levensduur van zaden verkorten.

 

En bewaren in de koelkast?

Dat kan, maar daar zit wel een belangrijke voorwaarde aan: de zaden moeten goed droog zijn en luchtdicht worden verpakt.

In een koelkast is namelijk ook vocht aanwezig.

Haal je een afgesloten verpakking uit de koelkast, laat deze dan eerst op kamertemperatuur komen voordat je hem opent.

Zo voorkom je dat warme, vochtige lucht op de koude zaden condenseert.

Voor de meeste hobbytuiniers is bewaren in de koelkast overigens helemaal niet noodzakelijk.

Koel, donker en vooral droog bewaren is meestal voldoende wanneer je de zaden gewoon de komende jaren wilt gebruiken.

 

Een geopend zakje bewaren

Heb je maar een gedeelte van een zakje gezaaid?

Sluit het zakje dan na gebruik weer goed.

Schrijf eventueel het jaar waarin je het hebt geopend op de verpakking.

Zo weet je later precies hoe lang het al in je zadendoos ligt.

Probeer tijdens het zaaien ook te voorkomen dat de overgebleven zaden vochtig worden.

Leg een open zakje bijvoorbeeld niet op natte grond en gebruik droge handen.

 

Oud zakje gevonden? Eerst proberen!

Bijna iedere tuinliefhebber kent het wel: tijdens het opruimen kom je ineens een zakje tegen waarvan je niet eens meer wist dat je het had.

Is het al een paar jaar oud?

Dan hoeft het echt nog niet de prullenbak in.

Je kunt eenvoudig zelf een kiemproef doen.

Leg bijvoorbeeld tien zaden tussen vochtig keukenpapier, bewaar ze op een temperatuur die geschikt is voor de betreffende soort en kijk hoeveel ervan ontkiemen.

Kiemen er acht van de tien?

Dan weet je dat de partij nog een prima kiemkracht heeft.

Kiemen er maar een paar, dan kun je bij het zaaien wat meer zaad gebruiken.

Houd er wel rekening mee dat sommige soorten van nature langzaam of onregelmatig kiemen of eerst een koudeperiode nodig hebben.

Niet ieder zaad is daarom geschikt voor precies dezelfde kiemproef.

 

Onze zaden en de houdbaarheid

Omdat we het belangrijk vinden dat je weet wat je koopt, zijn we begonnen met het vermelden van het oogstjaar en/of de houdbaarheidsdatum bij onze zaden.

Daarbij kiezen we bewust niet voor een zo lang mogelijke theoretische bewaartermijn.

Onder professionele omstandigheden kunnen sommige zaden namelijk bijzonder lang kiemkrachtig blijven, maar zo worden zaden bij de meeste mensen thuis natuurlijk niet bewaard.

Bij ons worden de zaden na de oogst bewaard bij een constante temperatuur in een donkere ruimte.

Ook hebben we in de zadenruimte een ontvochtiger staan zodat de zaden optimaal bewaard kunnen worden.

Bij de verkoop gaan we uit van normale, zorgvuldige bewaring bij de klant: koel, donker en droog.

Tot de aangegeven houdbaarheidsdatum mag je dan nog een goede kiemkracht van de zaden verwachten.

En heb je nog een zakje zaden "over de datum" ?

Soms word je na jaren nog verrast door een bakje vol kleine groene kiemplantjes.

En zeg nou zelf... dat is toch veel leuker dan een zakje zaden ongeprobeerd in de prullenbak gooien?

 


Het nut van warmtematten, warmtelampen en een propagator

Ik maak graag gebruik van al deze handige hulpmiddelen!

Als het voorjaar wat langzaam op gang komt qua temperatuur is er een kans dat 

zaden die een hoge kiemtemperatuur hebben pas heel laat kiemen.

Hierdoor duurt het ook langer voor de plant tot wasdom komt.

Het komt dan geregeld voor dat de zaaddozen niet genoeg meer rijpen voor de herfst/winter zijn intrede doet; minder oogst dus.

Het is voor mij belangrijk dat de zaailingen al stevig en gezond zijn zodra de temperaturen buiten stijgen en het daglicht toeneemt. 

Met behulp van een propagator, een warmte kweekmat en eventueel een kweeklamp kan ik de perfecte omstandigheden creëren voor sterke, gezonde zaailingen.

Een propagator werkt als een mini-kas: warmte en luchtvochtigheid worden vastgehouden, waardoor zaden sneller en gelijkmatiger ontkiemen. 

In combinatie met een warmte kweekmat, die een constante, milde bodemwarmte afgeeft, krijgen de zaden precies wat ze nodig hebben om goed te starten. 

Maar ook licht speelt een belangrijke rol.

In de donkere wintermaanden of bij weinig zonlicht kunnen jonge plantjes te lang en slap worden.

Een kweeklamp biedt dan uitkomst: deze vult het natuurlijke daglicht aan en zorgt ervoor dat de zaailingen compact en stevig groeien. 

De combinatie van warmte, vocht en voldoende licht geeft de planten de beste start, nog voordat het buitenseizoen begint.

Zo creëer ik met een paar eenvoudige hulpmiddelen een klein, beheersbaar groeiklimaat waarin zaden optimaal kunnen kiemen en in het voorjaar kan genieten van sterke, gezonde planten die klaar zijn om naar buiten te verhuizen!


Waarom inheemse bloemen en planten onmisbaar zijn in je tuin

Inheemse bloemen en planten zijn de stille kracht achter een gezonde, levendige tuin.

Ze horen van nature thuis in ons klimaat en onze bodem, waardoor ze sterk, betrouwbaar en onderhoudsarm zijn.

Maar hun grootste waarde ligt in wat ze betekenen voor de natuur om ons heen.

Inheemse soorten bieden precies de juiste nectar, pollen en schuilplaatsen voor bijen, vlinders, hommels en talloze andere insecten.

Deze dieren zijn afhankelijk van planten waarmee ze zijn mee-geëvolueerd, en die vind je alleen in het inheemse assortiment.

Door voor deze soorten te kiezen, creëer je een waardevolle voedselbron én een veilige leefomgeving.

Daarnaast helpen inheemse planten om de biodiversiteit te versterken.

Ze trekken niet alleen meer insecten aan, maar zorgen via die insecten ook voor vogels, egels en andere tuinbezoekers.

Zo groeit een simpele beplantingskeuze uit tot een mini-ecosysteem waarin alles met elkaar samenwerkt.

Niet iedereen kan, of wil, zijn hele tuin in één keer omspitten om volledig over te stappen op inheemse soorten.

Gelukkig hoeft dat ook helemaal niet.

Je kunt klein beginnen: vul lege plekjes op met inheemse bloemen, vervang stap voor stap oudere planten door passende inheemse alternatieven, of probeer eens een mix van inheemse soorten tussen je vaste beplanting. Elke plant telt en elke verandering helpt de natuur vooruit.

Inheemse bloemen zijn bovendien verrassend mooi en veelzijdig, en ze laten zich uitstekend combineren met vaste planten en eenjarigen.

Of je nu houdt van kleur, structuur of rustige beplanting: er is altijd een soort die past bij jouw tuinplan.

Met inheemse planten kies je dus niet alleen voor een sfeervolle tuin, maar ook voor een tuin die écht iets teruggeeft aan de natuur.

Een kleine stap met een grote impact! 


Mieren: vervelend of nuttig?

Veel tuinliefhebbers zien mieren vooral als lastpakken: ze maken hoopjes zand tussen de tegels, kruipen overal tussendoor en duiken ineens massaal op in plantenbakken.

Toch zijn mieren veel nuttiger dan je op het eerste gezicht denkt.

Mieren spelen een belangrijke rol in het ecosysteem van je tuin.

Ze ruimen organisch materiaal op, eten larven en kleine insecten en helpen zo andere plagen in toom te houden.

Daarnaast zorgen ze voor een luchtigere bodem doordat ze kleine tunnels graven.

Dat klinkt misschien vervelend als het zand tussen de bestrating omhoog komt, maar voor de bodemstructuur is het juist heel waardevol.

Je ziet mieren vaak in de buurt van bladluizen, en dat levert soms verwarring op. Mieren “melken” bladluizen voor honingdauw en beschermen ze daarom tegen natuurlijke vijanden.

Daardoor lijkt het alsof ze de luizenplaag juist stimuleren.

Maar dit gedrag hoort bij het natuurlijke evenwicht in de tuin.

Wanneer je voldoende variatie aan planten en schuilplekken biedt, komen natuurlijke vijanden zoals lieveheersbeestjes en gaasvliegen vanzelf hun werk doen.

Mieren zijn dus belangrijke én nuttige tuinbewoners, maar soms komen ze net op plekken waar je ze liever niet ziet.

Bijvoorbeeld in huis, en vooral in de keuken, kunnen ze wél voor overlast zorgen.

Mieren komen vooral naar binnen op zoek naar voedsel.

Een aanrecht met etensresten of open verpakkingen werkt als een magneet. Bewaar daarom zoveel mogelijk voedingsmiddelen in goed afgesloten potten en dozen, en laat geen lekkers rondslingeren.

Sluit daarnaast kieren en spleten waarlangs ze naar binnen kunnen.

Tijdens hun tochten laten mieren kleine beetjes ontlasting achter, iets wat je natuurlijk liever niet in huis hebt.

Bovendien markeren ze hun route met feromonen, zodat andere werksters de voedselbron snel terugvinden.

Zie je de eerste verkenners al rondlopen, schakel ze dan meteen uit om te voorkomen dat er een hele kolonie volgt.

Ben je te laat en hebben meerdere mieren de weg naar binnen al gevonden?

Dan kun je een aantal huis-, tuin- en keukenmiddeltjes proberen.

Mieren houden niet van sterke geuren: look, munt, basilicum, rozemarijn, kaneel, lavendel en zelfs afrikaantjes kunnen ze op afstand houden.

Ook peper rond het nest strooien kan helpen.

Werkt dat allemaal niet, dan zijn aaltjes een natuurlijk alternatief.

Deze microscopisch kleine rondwormpjes doden niet de volwassen mieren, maar wel hun larven.

Daardoor verlaten de mieren uiteindelijk zelf het nest en verhuizen ze naar een andere plek.

Ook buiten in de tuin kun je overlast beperken door het probleem bij de bron aan te pakken.

Mieren zijn dol op de honingdauw van bladluizen, dus het bestrijden van luizen maakt je tuin minder aantrekkelijk voor ze.

Door te zorgen voor voldoende natuurlijke vijanden, zoals lieveheersbeestjes, ontstaat er vanzelf meer evenwicht.

Kortom: mieren zijn waardevolle helpers, maar als ze tot in huis komen mag je best ingrijpen.

Met een paar simpele maatregelen kun je overlast voorkomen én tegelijk de natuur een handje helpen.


Kiemkracht en opkomst

Het blijft elke keer weer een klein wonder… de eerste zaailingen die boven de grond verschijnen! 🌱

Maar tegelijk is het ook iets waar veel mensen tegenaan lopen: niet ieder zaadje komt op, zelfs niet als de zaden vers zijn en van goede kwaliteit.

Ook bij mij komt dit geregeld voor.

Het is heel normaal en gelukkig ook goed te verklaren.

Een zaadje heeft namelijk precies de juiste omstandigheden nodig om te kunnen kiemen.

Zo speelt temperatuur een grote rol.

Sommige soorten hebben warmte nodig, terwijl andere juist eerst een koudeperiode nodig hebben.

Als die prikkel ontbreekt, blijft het zaadje gewoon “slapen”.

Ook vocht is belangrijk.

Te weinig vocht zorgt ervoor dat het kiemproces niet op gang komt, maar te veel water kan juist weer leiden tot rotting.

Een mooie, licht vochtige grond is dus ideaal.

Daarnaast is er nog licht.

Sommige zaden hebben licht nodig om te kiemen en mogen dus niet bedekt worden met aarde, terwijl andere juist donker moeten liggen.

Dit verschilt echt per soort.

En dan hebben we nog de bodemstructuur.

Een te zware of compacte grond kan het jonge kiemplantje tegenhouden om boven te komen.

Luchtige zaaigrond helpt enorm om het de zaailingen makkelijker te maken.

Tot slot speelt ook de natuur zelf een rol.

In de natuur kiemt namelijk ook niet alles tegelijk of überhaupt niet.

Dat is een slimme manier van de plant om te overleven: zo spreidt deze soort zijn kansen.

Dus zie je dat niet alles opkomt?

Geen zorgen, je doet niet altijd iets verkeerd!
Vaak is het een combinatie van omstandigheden én een stukje natuur dat zijn eigen weg volgt.

En geloof me… die eerste groene puntjes die wél verschijnen, maken alles weer goed!


Verspenen en afharden

De eerste zaailingen zijn opgekomen… een prachtig moment! 🌱

Maar wat nu?

Om jonge plantjes sterk en gezond verder te laten groeien, zijn verspenen en afharden twee belangrijke stappen die je niet moet overslaan.

Wanneer zaailingen hun eerste echte blaadjes krijgen, is het tijd om te verspenen.

Dat betekent dat je ze voorzichtig uit elkaar haalt en ieder plantje een eigen plekje geeft in een potje of tray.

Zo krijgen de wortels meer ruimte om zich goed te ontwikkelen en voorkom je dat de plantjes elkaar in de weg gaan zitten.

Pak ze altijd voorzichtig vast bij het blaadje (niet bij het steeltje!) en zet ze iets dieper terug in de grond.

Dat helpt om stevige, sterke plantjes te krijgen.

Zijn je plantjes eenmaal goed gegroeid?

Dan komt de volgende stap: afharden.

Zaailingen die binnen of in een kas zijn opgekweekt, zijn nog niet gewend aan zon, wind en lagere temperaturen.

Door ze geleidelijk te laten wennen aan de buitenlucht voorkom je dat ze een groeischok krijgen.

Begin met ze overdag een paar uurtjes buiten te zetten op een beschutte plek en bouw dit rustig op.

Na ongeveer een week zijn de plantjes sterk genoeg om definitief naar buiten te verhuizen.

Het kost misschien wat extra aandacht, maar je zult zien: sterke, goed opgegroeide planten geven uiteindelijk de mooiste bloei! 

 

Snelle tips: verspenen & afharden 🌱

• Verspeen zaailingen zodra ze hun eerste echte blaadjes hebben in een grotere pot met potgrond.

• Pak ze vast bij het blaadje, niet bij het steeltje

• Zet ze iets dieper terug voor stevigere plantjes

• Geef na het verspenen direct water, het beste doe je dit via bv een schoteltje zodat de wortels het water van onderuit kunnen opnemen.

• Begin met afharden zodra de plantjes goed zijn gegroeid

• Zet de zaailingen eerst een paar uurtjes per dag buiten (beschut)

• Bouw dit rustig op over ongeveer 1 à 2 weken

• Pas op met felle zon en harde wind zeker in het begin


Uitplanten

Wanneer kunnen zaailingen naar buiten?

Na weken van verzorgen, water geven en vol verwachting wachten zijn ze er eindelijk: jonge zaailingen!

Maar wanneer mogen deze kleine plantjes eigenlijk de tuin in?

Veel beginnende tuiniers kunnen haast niet wachten om hun zaailingen uit te planten.

Toch is geduld vaak de sleutel tot succes.

Jonge planten zijn kwetsbaar en kunnen slecht tegen koude nachten, harde wind, felle zon of grote temperatuurverschillen.

Voor de meeste eenjarige bloemen geldt dat uitplanten het veiligst is na de laatste kans op nachtvorst.

In Nederland wordt hiervoor vaak half mei aangehouden, maar het weer blijft natuurlijk de baas.

Kijk daarom niet alleen naar de kalender, maar ook naar de weersverwachting.

Voordat zaailingen definitief naar buiten gaan, is het belangrijk om ze eerst af te harden.

Planten die binnen of in een kas zijn opgekweekt, zijn gewend aan beschutte omstandigheden.

Door ze gedurende een week tot twee weken steeds wat langer buiten te zetten, kunnen ze langzaam wennen aan zonlicht, wind en schommelende temperaturen.

Kies voor het uitplanten bij voorkeur een bewolkte dag of een rustige avond. De planten krijgen dan de kans om zich te herstellen zonder direct blootgesteld te worden aan de felle middagzon.

Geef na het planten voldoende water, zodat de wortels goed contact maken met de omringende grond.

Ook de bodem speelt een belangrijke rol.

Een losse, goed doorlatende grond zorgt ervoor dat jonge wortels zich snel kunnen ontwikkelen.

Is de grond erg droog, geef dan vooraf water.

Is de grond juist erg nat, wacht dan liever nog even.

Hebben de zaailingen meerdere echte blaadjes gevormd, een stevig wortelstelsel ontwikkeld en zijn de weersomstandigheden gunstig?

Dan is het moment aangebroken om ze een plekje in de tuin te geven.

Aankomende week wordt het prima weer om de plantjes buiten te zetten, niet te warm, geen felle zon en af en toe een bui.

Ze zijn er klaar voor!


Droogte in de zomer

De zomers lijken steeds vaker warmer en droger te worden.

Waar een regenbui vroeger regelmatig voor verkoeling zorgde, moeten planten tegenwoordig soms wekenlang zonder noemenswaardige neerslag zien te overleven.

Gelukkig kun je met een paar eenvoudige maatregelen veel doen om jouw planten gezond te houden.

Geef liever één of twee keer per week een flinke hoeveelheid water dan iedere dag een klein beetje.

Zo worden de wortels gestimuleerd om dieper de grond in te groeien, waardoor planten beter bestand zijn tegen droge periodes.

Geef bij voorkeur vroeg in de ochtend of juist in de avond water.

Op die momenten verdampt er veel minder en komt het water terecht waar het nodig is: bij de wortels.

Een laagje mulch van bijvoorbeeld bladeren, houtsnippers of compost helpt om de grond langer vochtig te houden.

Bovendien blijft de bodem koeler en krijgt onkruid minder kans om te groeien.

Ook de keuze van de planten speelt een belangrijke rol.

Veel inheemse soorten en planten die van nature op droge, schrale gronden groeien, kunnen verrassend goed tegen langdurige droogte.

Zodra ze goed zijn aangeslagen, hebben ze vaak veel minder water nodig dan je zou verwachten.

En misschien wel de belangrijkste tip: laat de natuur af en toe haar werk doen.

Een plant die tijdens een warme periode even slap hangt, heeft niet altijd direct water nodig.

Vaak herstelt deze zich vanzelf zodra de zon minder fel wordt.

Door niet te snel naar de gieter te grijpen, stimuleer je planten om sterke, diepe wortels te ontwikkelen.

Met een paar eenvoudige aanpassingen help je jouw tuin niet alleen de droge zomer door, maar maak je deze ook beter bestand tegen de warme zomers die steeds vaker voorkomen.